Categorie: Niet gecategoriseerd

  • Midnight Train to Georgia

    Speciaal voor mijn vrienden van Forgotten Hits Ltd. schreef ik een verhaal bij het lied Midnight Train to Georgia en las het voor tijdens het jaarlijkse spektakel annex drankgelag.

    Ik had geen mensenmassa’s verwacht, toen de trein vanuit New Orleans eindelijk stilstond. Ik weet niet zo goed wat ik wel verwacht had, maar zo’n grote groep als toen ik hier van huis ging – nee. Dat sowieso niet. Misschien had ik gehoopt dat mijn zussen er zouden staan. Of in elk geval ééntje.
    Dat ze het hadden begrepen, waarom ik weg was gegaan. Waarom ik weg was gebleven.

    Misschien had ik op een berichtje gehoopt. Van haar. Van die vrouw uit de laatste bar waar ik mijn laatste nacht door had gebracht. Glennis was het. Nee, Fanny. Candice. Weet ik het. Wat het ook was: misschien had ik wel gehoopt dat ze me achterna was gekomen. Dat ze één, twee treinen achter me zat.
    Maar goed, je weet wat ze zeggen: hoop is uiteindelijk niet heel veel meer dan uitgestelde teleurstelling.

    Het is kutweer. Het is al een uur of twee kutweer. Alsof de regen ergens sinds Atlanta met me mee waait. Achter me aan waait.
    Het is nacht. Bijna middernacht.
    En op internet zag ik een uur geleden dat die lul van een Donny Edmure een Karaokeavond had gepland in de Black Pig. Om te vieren dat hij raak geschoten had bij Mary Dinkhurst. Bij míjn Mary Dinkhurst. Een tweeling. Ook dat nog.
    Op facebook had hij trots opgeschreven dat hij goed zaad had. En dat goed zaad best gevierd mag worden. Mary had eronder gereageerd met een emoji van een aubergine en een paar blauwe spetters erbij. Henry Mill had er een emoji van het getal 100 onder gezet. En een armpje met een spierbal.
    34 likes. Het zaad van Donny Edmure krijgt 34 likes. En die lieve Mary maar wachten, thuis op de bank. Of nog erger: met een glas cola op een kruk met een rugleuning in de hoek van de bar.
    Ik had haar betere kinderen kunnen gegeven. Méér en beter.
    Een drieling. Minstens.
    Ik kijk op mijn horloge.
    Over tien minuten rijden we Gainesville binnen. In de verte zie ik de brandende lichten van de stad groter en groter worden – als je Gainesville met zijn dertigduizend inwoners een stad mag noemen. Maar vooruit, alles is veel voor wie niet veel verwacht.
    Al sinds Buford is mijn wijn op.
    Ik begin nuchter te worden. Geheel tegen mijn zin overigens.

    De laatste keer dat ik op het station in Gainesville was, stonden er bijna honderd mensen op het vliegveld. Bijna honderd! Ik heb ze geteld, vanachter het raampje. Kun je nagaan. De mensen van de Dollar Market, de mensen van het Gainesville City Actors. Mijn ouders. Mijn zussen. De mensen van mijn bowlingteam. En zelfs Mary Dinkhurst. Ze had me een kaartje geschreven.
    ‘Go get ‘em, big bear,’ had erop gestaan.
    Ik had haar gekust en naar haar geknipoogd. Ik had in haar oor gefluisterd dat ze me achterna moest komen. Dat ik de stad zou verkennen, en een plek zou vinden voor ons samen.
    Ze had geknikt en geglimlacht. En ze had een kushand gegeven toen onze blikken kruisten op het moment dat de trein in beweging kwam.

    Een halfjaar later was ze met Donny fucking Edmure getrouwd. Ze had hem leren kennen via een app, appte ze me op een dag. Het was een beetje een boerenkinkel, zei ze, maar hij hield van haar. En zijn bandenhandel liep goed. Ze hadden geld. Ze hadden werk. Dat was ook al wat. En ik had al weken niks meer van me laten horen. Ze hoopte dat het me goed ging, daar in het verre LA. Ze keek ernaar uit om me op tv te zien.
    Tijdens de uitvaart van mijn vader deed ik auditie voor Game of Thrones. Een klein rolletje, maar wél met tekst. Mogelijke doorbraak, vertelde mijn manager. Hij had al veel in me geïnvesteerd, en dit was een mogelijke doorbraak.
    Show must go on, of ik dat gezegde kende. Potentieel miljoenenpubliek. En mijn vader was toch al dood, toch? Wat zou hem het kunnen verrekken.
    Mijn moeder overleed tijdens de pandemie, dus daar had al niet bij kunnen zijn, zelfs als ik ervoor was gekomen.
    Misschien was die uitvaart tegelijk met de opnamedagen van de Wurst Und Beer?! reclames.
    Wílde ik me tijdens de uitvaart van mijn moeder in een hotdogpak laten bekogelen met alcoholvrij bier? Nee, natuurlijk niet, maar ga dat mijn huurbaas maar eens vertellen. En mijn manager had hard moeten werken om me hier in deze gig te krijgen. Hoeveel mensen gingen me wel niet zien?
    Dit was een potentiële doorbraak.
    Aan hem had het niet gelegen.

    Ik had niks verwacht, niks gehoopt. Of, nouja, ik had gehoopt dat ik nog dronken zou zijn bij het uitstappen. Mislukt. En god weet dat ik mijn best had gedaan. De trein vanuit LA vertrok om tien uur. Toen we uit Tucson wegreden was ik nog steeds wakker. Bij El Paso ben ik maar gaan drinken – ter hoogte van San Antonio was ik dronken, maar slapen lukte nog steeds niet. Van mijn overstap op New Orleans kan ik me amper nog wat herinneren.
    Een appje van mijn manager, dat hij helaas niks meer voor me kan doen. Dat de markt misschien over een halfjaar weer aantrekt, maar dat hij keihard voor me gewerkt heeft. Maar zeker nu, met die schrijversstakingen. Het lukt gewoon niet. Ik heb mijn kop niet mee.
    Een goeie kop, appt hij er snel achteraan. Een goeie kop, maar hij zit niet mee.
    Mijn potentiële miljoenenpubliek bleef uit:
    Anderhalve minuut in beeld bij As the world turns.
    Een keer als naamloze cameraman in beeld geweest bij The Morning Show, maar nooit echt in de buurt bij Jennifer Aniston of Steve Carell.
    Vier zinnen in een pilot van een serie over het leven van Merle Haggard. Een bijrol in de pilot van de remake van Home Improvement. Een paar tekenfilms ingesproken voor te weinig geld.
    Een paar reclames ingesproken voor nog minder geld.
    De administratie van mijn manager gedaan.
    Een paar weekjes in een tijdschriftenkraam in de buurt van Sunset Boulevard. Brad Pitt die The Guardian bij me kocht en me een dollar extra geeft. Dichter bij de doorbraak ben ik niet gekomen.
    Eén keer, net voordat ik op de trein stapte: een nieuwe serie. Prime time, direct na Greys Anatomy. Een barman in een Steakhouse waar de hoofdpersonen soms komen. In de eerste drie afleveringen zat ik. Na de derde kreeg ik een telefoontje van de studio: het personage werkte niet. Het lag niet aan mij, mijn werk was gewoon goed. Maar het personage werkte niet.
    Ik zou wel wat anders vinden, dat geloofden ze echt.
    Na de derde week een appje van Mary. Ze had me gezien. Ze vond dat ik er slecht uit zag.

    Ik stap uit, op het allerlaatste moment. Achter me vertrekt de trein in de richting van Toccoa en verder. Ik blijf achter. Alleen het station en ik.
    Half twaalf in de avond. Ik heb meer dan drie dagen in de trein gezeten.

    Van de vrouw uit LA heb ik niets meer gehoord. Geen appje, geen mailtje. Niks. Grace, was het. Nee, misschien toch niet. Ik weet het niet meer. Het maakt niet uit. Blijkbaar ben ik niet echt iemand die door mensen achterna gereisd wordt.

    En hier, in Gainesville? Mijn zussen zijn blijkbaar nog te boos om me op te pikken. Van de City Actors heb ik nooit meer iets gehoord. Mary ligt thuis op de bank, te wachten tot Donny Edmure thuis komt van zijn Spermon Sermon Celebration.

    Misschien had ik in elk geval gehoopt dat die laatste vrouw in LA met me mee ingestapt was. Iemand die me vast had gepakt en had gezegd: ‘Ach, jochie. Wat maakt het uit.’
    Die me had gezegd dat ze toch wel van me hield. Die me had gezegd dat ze liever met mij in míjn wereld had geleefd, dan helemaal alleen in die van haar.
    Die mee was gereisd naar Gainesville.
    Dat we in Atlanta onze beste kleren hadden aangetrokken. Ons hadden opgemaakt en geparfumeerd.
    Dat we met alle glamour die we uit ons hadden kunnen persen de trein uit waren gestapt samen.
    En rokend, en drinkend de Inked Pig in waren gestapt. Dat Mary er had gezeten, en na een halfuur jaloers en strontchagrijnig naar huis was gegaan.
    Hoop is uiteindelijk niet veel meer dan uitgestelde teleurstelling.

    Dus ik pak de weekendtas met al mijn spullen erin. En ik zet de wijnflessen die ik vanaf New Orleans heb leeggedronken tegen de muur van het station.
    En dan draai ik me om. Ik hoor de muziek: de Inked Pig is hier drie minuten lopen vandaan, en Donny houdt van harde muziek. Als je de muziek niet hard zet, kun je hem net zo goed níet aanzetten.
    Harde muziek, harde alles.
    Fuck it.
    Het is half twaalf.
    Nog tijd genoeg om gewoon weer opnieuw dronken te worden in de Inked Pig. Waar ik ga slapen zie ik morgen wel. Waar ik ga werken zie ik volgende week wel.
    Hoe ik ga leven zien we- ach, weet ik het.
    Drie hoeraatjes, mensen.
    Leve het zaad van Donny Fucking Edmure. Hoera. Hoera. Hoera

  • Een saaie stad is een arme stad

    Beste vastgoedeigenaar. Mijn naam is Martijn Neggers. Ik ben schrijver en journalist. En ik ben Tilburger, net als jij. Omdat wij, jij en ik, allebei dezelfde liefde voor onze stad koesteren, weten wij allebei dat er niet één, maar eigenlijk twee Tilburgs zijn.
    Wij weten allebei dat we om te beginnen het schurende, vervreemdende en wonderlijke Tilburg hebben, waar vanuit haar ietwat onwelriekende dampen kunstenaars als Gummbah, AHJ Dautzenberg, Frederike Luijten, en Lonne Gosling naar boven borrelen.
    Maar dat er naast dát Tilburg ook nog een ander Tilburg is: Tilburg, de allernormaalste stad van het land. Zó alledaags, dat eindeloos veel merken als Leen Bakker, Trekpleister of Holland & Barret, nieuwe producten áltijd eerst op haar uittesten, onder het mom van: lukt het in Tilburg, dan zal het in de rest van het land ook wel loslopen.

    Die twee Tilburgs kunnen niet zonder elkaar. De vreemde stad van Ferry van de Zande en Eefje Wentelteefje, en de normale stad van Hema en So Low – die hebben elkaar nodig. Normaal en absurd bestaan allebei bij gratie van de ander. De kunstenaars in deze stad, die gevormd zijn door en naar haar straten, cafés, volksaard en oogopslag, hebben haar totale alledaagsheid nodig om uit te putten.
    Filmmaker Leonard Bedeaux heeft de bezoekers van de Foot Locker nodig om het werk te maken dat hij maakt. Tilburgs kunstenaars hebben een functionerende stad nodig om te maken wat ze maken. En stad met winkelketens, broodjes- en horlogeverkopers en plekken waar je lollige papieren ophangbordjes kunt kopen, of peper- en zoutstelletjes in de vorm van een kont, of twee borsten.
    Omdat kunst, ook de vreemdste, abstractste en onbegrijpelijkste kunst, put uit het echte – het normale leven.

    Maar ómgekeerd is het ook zo. Oók de naar beige neigende lichtgrijze binnenstad van Tilburg heeft haar obscure, absurde evenknie nodig. Zonder die andere kant is Tilburg weinig meer dan een stad waarnaar de rest van het land kan wijzen als ze een voorbeeld nodig hebben van de saaiste stad op aarde.
    Zonder die andere kant wordt Tilburg een Veghel.
    Een Purmerend.
    Een Zoetermeer.
    Niemand wil geld uitgeven in de saaiste stad ter wereld. Een saaie stad is een arme stad. Een saaie stad zal leeg komen te staan. Zij zal zo stil worden, dat het winkelend publiek uiteindelijk zelfs liever naar Breda rijdt.
    Wij, jij en ik, wij willen geen arme stad, dat weet ik zeker. Maar als ik door de binnenstad – tussen jouw leegstaande panden door – loop, maak ik me toch wat zorgen. Over mijn grijs en leeg geworden stad, die uiteindelijk zo leeg zal lopen dat zij geen euro meer op zal leveren.

    We moeten samen de stad terug in balans brengen: maak een stad interessant en zij zal leven. Blaas haar tot leven, en ze zal renderen.
    Leen de leegte uit aan degenen die daar het best mee om kunnen gaan: kunstenaars.
    Elk pand als tabula rasa in de stad; als tijdelijke plek voor verwondering, verwarring, begeestering, en reuring. Mensen die voor kunst komen, zullen gaan winkelen en omgekeerd. Zoals eerder al: tijdens Kaapstad. In de dagen van De Blauwe Dwaas. In de ramen van het kantongerecht en het stadskantoor.
    En laten we wel wezen: van reuring is nog nooit iemand slechter geworden. En jij ook niet – want een levende stad wordt meer waard. En met haar de gebouwen waaruit zij bestaat.
    Ik wil een eeneiïge stad die zichzelf als yin en yang in balans houdt en waar gouden bergen en ambities tot aan de hemel reiken. Met hulp van mensen als jij, en met hulp van mensen als ik.
    Tijd om aan de slag te gaan, voordat we op een dag wakker worden en Veghel geworden zijn. Laten we samen de leegte vullen met kunst. Tot er geen centimeter leegte meer over is.

    Ateliers Tilburg, Martijn Neggers,
    *TILBURG

  • Het scharnier van de avond

    Aan de bar hangt een groepje mensen: de middagploeg. Zij die om een uur of drie vanmiddag begonnen zijn met drinken, om vervolgens om half zes te besluiten om nog één rondje te wachten met naar huis gaan om te koken (en om kwart voor zes, zes uur, kwart over zes, kwart voor zeven, vijf over zeven en vijf voor half acht ook) en nu nog op hun laatste benen aan en over elkaar heen hangen.
    Het is Het uur van het scharnier in het café: het uur waarin de middagploeg en de avondploeg elkaar overlapt. De avondploeg, die vooralsnog bestaat uit twee studenten van een jaar of twintig die aan hun eerste biertje van de dag zitten, een bejaarde man die met een nog feilloze oog-handcoördinatie een oude jenever van de bar afpakt en aan zijn lippen zet. En ik dus.
    Ik ga naast de oude man aan de bar zitten, op twee krukken afstand van de studenten, die als een veilige buffer tussen mij en de middagploeg in zitten.
    Een grote zwetende man staat op van zijn barkruk, en begint te wijzen naar wat net nog een kameraad van hem leek te zijn.
    ‘Val godverdomme kapot!’ roept hij, terwijl hij met zijn vrije hand zijn plakkende haren uit zijn gezicht veegt. Zijn kameraad reageert amper, maar hij is nog niet klaar: ‘Ik steek je huis in de fik en stuur de honden op je af!’
    De middagploeg lijkt niet onder de indruk. De man gaat maar weer zitten, buigt zich mopperend over zijn bier.
    Even kijk ik naar de bejaarde man naast me. Hij kijkt terug en knikt een keer. In een poging een gesprek aan te knopen, stel ik mezelf maar gewoon voor. Het komt er een beetje plompverloren uit.
    Martijn.
    ‘Meneer Van Schie.’
    Meneer Van Schie lijkt geen aanstalten te maken om het gesprek aan de gang te houden. Ik probeer het nog eens.
    Lange dag gehad?
    ‘Alle dagen zijn lang, jochie.’
    Dan draaien we ons maar weer om naar onze drankjes. Ik twijfel of meneer Van Schie nog iets wil zeggen, maar als ik eens vragend zijn kant uit hum, reageert hij niet.
    Op de hoek van de bar ligt een krant met een halfafgemaakte crypto-puzzel naar boven. De studenten gaan biljarten. Zwijgend kijkt meneer Van Schie toe hoe de twee jongens er niks van kunnen.
    Aan de andere kant van de bar wordt ineens gejuicht. Twee vrouwen en mannen zetten een lied in.
    ‘Just follow the staaaaaairway’ zingen ze. ‘To this lonely heart of mine!’
    De man die een paar minuten geleden nog het huis van de andere man in brand wilde steken, zwiept nu zijn beide armen omhoog. Met ogen dicht schreeuwzingt hij over iedereen heen.
    ‘You’ll! Find! Me! Waiting!’
    Hij boert een keer.
    ‘In! Apartment! Number nine!’
    Even kijken de studenten op. Eentje grijnst. Misschien zoekt hij morgenvroeg eens op welk lied de middagploeg zong, voordat ze allemaal nog één rondje langer niet gingen koken.

  • Kluun

    Op het terras zitten twee oude mensen van een jaar of zeventig. Zij draagt een pullover met streepjes en kijkt wat wezenloos voor zich uit. Hij heeft zijn portemonnee aan een ijzeren ketting in zijn broekzak zitten en kijkt onafgebroken op zijn iphone. Ze praten niet, ze lachen niet. Zij heeft een chocomel, hij een trappist.
    Zij kijkt me heel eventjes aan als ik hen voorbij loop. Ik kijk terug en knik zo beleefd mogelijk.
    Als ik ga zitten kijkt de man één seconde naar me, over zijn telefoon en over zijn bril heen. Dan kijkt hij weer terug op zijn scherm. Zijn bier ziet eruit alsof het al een tijdje doodgeslagen is.
    Een paar minuten later komt er een man het terras op lopen met een aangelijnd hondje, en in zijn handen een kop thee en een bakje water. Zonder op te kijken gaat hij zitten – zijn hond neemt plaats onder de stoel naast hem. Ze kijken naar elkaar, de hond en hij. Af en toe knikt de man naar zijn trouwe viervoeter. De hond knikt niet terug, die ligt gewoon.
    Terwijl ik de entree van de man en zijn hond opschrijf, vindt er een aardverschuiving plaats op het terras: de man naast me legt zijn telefoon weg, en buigt zich naar me toe.
    ‘Bent u een schrijver?’
    Ja.
    Even lijkt hij van zijn stuk gebracht: misschien was ‘ja’ het enige antwoord dat hij niet verwacht had.
    ‘En bent u dan ook een Tilburger?’
    Zeker. Al moet ik er voor de volledigheid wel bij zeggen dat ik in Eindhoven geboren ben.
    De man lijkt geen aanstoot te nemen aan mijn geboortegrond en is zichtbaar verguld van het feit dat er een Schrijver op het terras zit.
    ‘We hebben hier nog eens ooit een echte schrijver gehad, in de stad, wist je dat?’
    Oh?
    ‘Ja, Van de Klundert. Al noemt ie zichzelf tegenwoordig Kluun, geloof ik, op televisie en al.’
    Oh, ja, Kluun.
    De man begint te lachen. ‘Kluun. Kun je nagaan. Dat is toch raar? Van de Klundert is toch een prima naam voor een schrijver? Maar goed, hij doet maar hoor. Hij zal het wel weten.’
    Ja, zo is het natuurlijk ook wel weer.
    ‘Barry, trouwens.’
    Pardon?
    ‘Barry, ik ben Barry.’
    Ach, kijk eens aan.
    ‘Ja, ik zag u zo typen, ik dacht: dat moet wel een schrijver zijn.’
    Ja, precies.
    Het gesprek valt stil. Barry grinnikt nog wat na, en mompelt de naam van Kluun nog een keer. Hij schudt zijn hoofd om vervolgens eindelijk een slok te nemen van zijn bier. Dan valt het terras weer stil.
    Een paar zalige minuten is het stil.
    ‘Zullen we zo door de Tuinstraat naar huis lopen?’ vraagt Barry’s vrouw. Barry knikt voorzichtig. Alsof hij in zijn hoofd eventjes een alternatieve route bedenkt, en dan toch maar gewoon weer concludeert dat de Tuinstraat de betere optie is.
    Ik draai me van de twee af, richting de andere terrasgast.
    Zowel de man als het hondje hebben hun drinken niet aangeraakt.