Categorie: Niet gecategoriseerd

  • Wat ik geleerd heb toen ik probeerde Big Tech uit mijn leven weg te poetsen

    “You see, the devil haunts a hungry man; if you don’t wanna join him, you gotta beat him. I ain’t sayin’ I beat the devil, but I drank his beer for nothing, and then I stole his song”

    – Kris Kristofferson

    Dit is niet je standaard Neggersverhaal. Eigenlijk is dit verhaal überhaupt geen verhaal. Het heeft geen literaire spitsvondigheden, het heeft geen malle personages die met een beteuterd gezicht in de stoptrein naar Weert zitten, met een ongeopende zak van de Burger King op schoot. Het heeft geen motieven, geen geconstrueerde spanningsboog, en ik doe ook niets opmerkelijks met het vertelperspectief.

    Waar het wel over gaat? Over Big Tech. Nee, wacht: laat me dat herformuleren. Het gaat dus juist níet over Big Tech. Het gaat erover waarom ik de Tech Bro’s beu ben – nee, nog een correctie: het gaat erover dát ik ze beu ben. Het feit dat je dit verhaal aangeklikt hebt, maakt dat ik hoogstwaarschijnlijk niet uit hoef te leggen waaróm (en dat doe ik voor het gemak dus ook niet).

    Maar als je klaar bent met de monopolie van Big Tech, dan is het alsnog een teringklus om de daad bij het woord te voegen. Spoiler: het is me niet gelukt om óveral onderuit te komen, maar het was, toen ik eenmaal geaccepteerd had dat ik een paar stevige keuzes ging maken, óók niet onmogelijk.

    In het afgelopen jaar heb ik stapsgewijs mijn afhankelijkheid van (Amerikaanse) Big Tech onder de loep genomen – meegenomen dat ik daarmee ook qua data-privacy ook een stuk behoorlijk aangeschoten wild was. Natuurlijk: je op internet begeven is data lekken, echte privacy bestaat niet en ik heb in geen geval de illusie dat de Zuckerbergs, de Pichais en de Cooks van deze wereld ervan wakker liggen dat ik ze uitgefaseerd heb. Ik zal ook vast overlopen van hypocrisie en naïviteit, maar soit: ben de verandering die je wilt zien in de wereld etcetera etcetera en alles en dingen.

    Goed: het wat van de hele onderneming.

    Het ging me om een aantal dingen: social media, mijn afhankelijkheid van niet-europese en ondoorzichtige (dure) servers, en mijn groeiende chagrijn rondom geplande obsoletie van consumenten-tech (laptops, tablets, telefoons) die qua hardware nog jaren goed zijn, maar volgens de makers per direct vervangen moeten worden, à raison de 1000, 1500, 2000 euro per stuk, en vervolgens op een vuilnisbelt komen te liggen die tot de hemel reikt (ik hoor jullie, Windows 10 gebruikers).

    Dus de regels waren als volgt: ik ging kritisch kijken naar mijn social media, ik ging kijken of ik van Apple (en gmail) af kon, of ik van mijn vreselijke Microsoftabonnement af kon, of er andere opties waren voor iphones, ipads, en computers. Liefst Europees, liefst open source.

    Nogmaals, ik zeg niet dat ik de waarheid in pacht heb, en ik zeg niet dat ik nergens meer informatie lek op het internet – en ik zeg óók niet dat ik me volledig losgeknipt heb van alles wat ook maar riekt naar big tech, maar áls je dit leest, en je hebt het tot hier gered, ga ik ervan uit dat je geïnteresseerd bent hóe ik gedaan heb wat ik gedaan heb, wat ik gevonden heb, en of een mens zich daar als normale niet-technerd zich daar ook een beetje doorheen kan worstelen (spoiler: met een beetje hulp lukt dat prima).

    Goed. Daar gaan we.

    Eerste stap: mijn laptop

    Mijn laptop was het eerste wat onder handen ging: in plaats van een nieuwe macbook (die – 1069 euro – op de planning stond) kocht ik een tweedehands Thinkpad uit 2018 (300 euro), en zette er via een USB-stick die ik nog had liggen het open source besturingssysteem Linux Mint, van Fransman Clément Lefebvre op (0 euro, maar ik heb vrijwillig een tientje gedoneerd). Niks engs met terminals en coderen om het geluid wat harder of zachter te zetten: Linux Mint is fool-proof, duidelijk, en lijkt in zekere zin meer op Windows 95 dan Windows zelf.

    Ik ben schrijver, dus ik handel in kilobytes (mijn hele oeuvre beslaat een MB of 50), maar ook podcasts editen (Audacity, open source, 0 euro) kan mijn acht jaar oude laptop nog prima aan. Linux Mint 22.1 (daar zitten we nu) wordt nog minimaal tot 2029 ondersteund, maar de kans is vrij groot dat onze Franse vrienden ook in de volgende versies (om de pakweg drie jaar komt er een nieuwe versie), mijn laptop nog wel wat meer tijd gunnen. Het is schoon, het is enigszins minimalistisch, en ehh it just works.

    De programma’s die ik erop heb staan om Big Tech Software te vervangen:

    • Browser: Vivaldi (Noors, grotendeels open source)
    • Word, Excel, powerpoint: Libre Office (open source)
    • Mail, VPN en wachtwoordbeheer: Proton (Zwitsers, open source, pro-abonnement van 40 euro, maar je kunt ook een gratis abonnement nemen)
    • Cloud Drive: Murena Workspace, opgebouwd vanuit Nextcloud (Frans/Duits, open source, 64 gigabite voor E39,90 per jaar – maar je kunt ook een gratis abonnement nemen van 2 gb)
    • En, vrij specifiek voor mij, en mijn schrijvende vrienden die dit lezen: het schrijfprogramma Zettlr (Duits, open source, gratis, al heb ik bij het installeren vrijwillig een tientje gedoneerd).
    • Mijn zoekmachine is Duckduckgo (Amerikaans, maar wel open source), wat onder de streep min of meer dezelfde resultaten oplevert als Google, maar niet je data trackt, en ook geen advertenties toont.
    • Mijn website draait niet meer via Squarespace, maar via Hostnet (Nederland) en WordPress.org (internationaal, open source).
    • Toen ik hoorde hoe weinig muzikanten kregen bij Spotify, besloot ik weer ouderwets platen te kopen, en digitale muziek (via Bandcamp), die ik verzamel in mijn cloud-opslag van Murena (zie boven). Mijn platenkast heb ik opgenomen en ik heb nu weer een soort ouderwetse mp3-spelersituatie. Op mijn telefoon luister ik muziek via VLC, op mijn laptop via Quod Libet. Het tapt allebei uit dezelfde Murena Nextcloud map, waar ik al mijn nieuwe muziek in plak. Ik merk dat ik ook weer met meer aandacht muziek luister, wat echt een prachtige bijvangst is.


    De schade tot op heden: twee keer een tientje vrijwillige donatie, plus een jaarlijks bedrag van 80 euro, die naar Europese moreel toch net wat minder verwerpelijke tech-bedrijven gaat.

    En dan: mijn telefoon

    Toen brak het scherm van mijn iphone, en dacht ik: ja, tja. Een nieuwe iphone, ik wilde juist úit de Walled Gardens van Big Tech, toch?

    Het werd geen nieuwe iphone, maar een refurbished pixel 5 uit 2020 (à 130 euro, ongeveer evenveel als een nieuw scherm op mijn iphone), waar ik het eerdergenoemde Franse Murena e/os op zette (zag eruit als een intimiderende klus, viel uiteindelijk wel mee). E/os is open source, gebouwd rondom het idee dat data-privacy niet perse hoeft te betekenen: geen gebruiksgemak.

    Ik kocht geen Fairphone (Nederland) – maar had het kunnen doen – maar een oude Pixel, want, nouja, wat is nog duurzamer dan een duurzame telefoon: een afgedankte telefoon. Maar, mocht je een nieuwe telefoon willen: Fairphone 6 is shiny, repareerbaar en wordt jaren en jaren ondersteund.

    Maar goed, ik ging dus voor een pixel met Murena e/os – ook omdat de workspace (laten we zeggen: Murena’s icloud) gebouwd was op Nextcloud, wat het bijzonder makkelijk te koppelen maakte met mijn Linux Mint laptop.

    • Ik wisselde whatsapp in voor Signal. Verdacht veel mensen in mijn omgeving hadden ook al Signal, zo bleek. Mijn ouders, en een paar vrienden moesten even overtuigd worden. Slechts één van mijn collega’s weigert en stuurt me tegenwoordig weer sms’jes als ze me nodig heeft. Ook prima.
    • Bij e/os kun je anoniem inloggen in de Google Playstore, zodat je alle android apps gewoon kunt downloaden. Mijn bank-app, Outlook (als middelbareschooldocent ontkom je daar niet aan) etcetera werken zonder enig probleem. In plaats van Google Maps gebruik ik de e/os kaarten-app, die, toegegeven, niet zo state-of-the-art is als Google Maps, maar me verder altijd precies brengt waar ik moet zijn.
    • Verder: Proton Mail, Proton VPN, Proton Pass, Vivaldi, VLC: het werkt allemaal gewoon.
    • Contactloos betalen – dat is een lastige. En zeker als je soms je portemonnee vergeet. Gelukkig leerde ik over de europese app Curve, die in elk geval te koppelen was met mijn credit card. In uiterste noodgevallen kan ik dus alsnog met mijn telefoon betalen, maar eerlijk gezegd ben ik alweer gewend aan het gebruiken van mijn pinpas.
    • Foto’s sla ik, op advies van een goede vriend die toevallig ook fotograaf is, gewoon lokaal op, op mijn telefoon. Eéns in de zo veel tijd zet ik de hele zwik over op mijn laptop, en af en toe maak ik een back up op een SSD. Eerlijk is eerlijk: hoe vaak kijk je die foto van dat dessert op dat ene pleintje in Lyon op 19 augustus 2021 nou echt terug?

    En die ipad die ik nog heb liggen? Nouja, die blijft voorlopig gewoon liggen, volledig ontkoppeld van alle apple diensten – maar wél ook met mijn Proton apps, Vivaldi én Nextcloud.

    Maar goed: dan hebben we het meest ronkende beest natuurlijk nog niet in de bek gekeken: social media.

    Social Media en hoe mijn leven met de weggesneden app leuker wordt (maar ik er niet aan ontkom)

    Er was een tijd dat ik Twitter, Facebook, Instagram, Whatsapp, Youtube, Goodreads en Reddit had. Het waren de roaring jaren tien, en alles was geinig en vrolijk en leuk – tot het dat ineens niet meer was. En ja: het allerliefst zou ik géén social media hebben. Maar ik heb er nog twee (en een half) over. Instagram, Goodreads en Youtube. En hoe heerlijk het was om al die andere dingen weg te snijden, en hoe bevrijdend het voelde (ik kan het iedereen aanbevelen) de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die drie er voorlopig nog niet uit gaan.

    Naast dat ik docent Nederlands ben, ben ik ook schrijver. En schrijver zijn in 2025 betekent ook dat je op zijn minst zichtbaar en vindbaar moet zijn. Dus ik heb instagram. Doe ik er veel mee? Nee, ik heb het. Ik verfoei het, maar ik heb het. Ik heb een stuk of 1200 volgers, waarvan ik er waarschijnlijk op een goede dag een stuk of 300 ook daadwerkelijk bereik, maar goed: driehonderd is meer dan niemand, dus ik blijf er voorlopig maar mee doorgaan. Of ik moet ineens 500 mensen zo gek vinden om zich in te schrijven voor mijn Nieuwsbrief Extravaganza (die zó onregelmatig is dat er moeilijk iemand voor te porren is). Ik heb Pixelfed (hartstikke sympathiek) geprobeerd. Ik heb Mastodon (hartstikke sympathiek) geprobeerd. Maar als jullie allemaal niet meegaan is er natuurlijk ook gewoon geen hol aan. Dit is iets wat we met zijn allen moeten doen, of niet. En het werd dus: niet.

    Op Youtube volg ik een aantal makers (ik noem er eens vier van mijn lievelings: Project Kamp, Kurzgesagt, NOS op 3, Levi Hildebrand) maar heb ik de rest van het algoritme uit staan. Het is even wat klikken, maar je kunt regelen dat je alleen de kanalen ziet waarop je geabonneerd bent.

    En Goodreads, ach Goodreads. Het is zó jammer dat Goodreads van Amazon is. In essentie is het natuurlijk geweldig: je volgt her en der wat literaire vrienden, je volgt wat auteurs die je goed vindt, je ziet links en rechts eens wat die en die van dat en dat boek vindt, en je houdt voor jezelf een beetje bij wat je leest.

    En wat is het toch jammer dat wat (geen idee hoeveel en wat) ermee verdiend wordt, de zakken van Jeff Bezos in gaat. Maar ook hier: ik heb twee of drie alternatieven gezien, maar daar zitten jullie, mede-goodreaders niet. En dan vergaat me de lol toch alweer snel.

    Conclusie

    De conclusie is: we zijn helemaal niet zo afhankelijk van (A) Amerika en (B) Big Tech als we denken. Het is vooral een kwestie van wíllen. En hoewel het een behoorlijke klus was om het allemaal uit te zoeken (wat is goed, wat is betrouwbaar, wat werkt wel voor me, wat niet, etcetera etcetera), het kán dus wel degelijk.

    En ja: ik heb nog Goodreads (hypocriet!) en ik heb nog Instagram (nog hypocrieter!) en van alle opties die ik aandroeg, zal er vast ook wel een programmeur een stiekeme cryptocurrencyvault in een enge dictatuur hebben gestald, waar mensenrechten met de voeten getreden worden (naïef, naïef!), maar hé – ik probeer het gewoon goed te doen, afgemeten aan mijn eigen meetlat.

    En nee: ik zeg niet dat iedereen dit moet doen omdat je anders een cynisch geworden slachtoffer van het grootkapitaal bent. Maar dit zijn de keuzes die ík gemaakt heb.

    Om Kristofferson nog maar eens aan te halen: I ain’t saying I beat the devil, but I drank his beer for nothing.

    Ik zeg je niet dát je moet drinken, maar ik heb je in elk geval wel gewezen waar het bier staat.

    *Update: hoewel /e/os als smartphone OS superfijn is, kwam ik erachter dat de cloud-suite van Murena relatief duur is, en soms ook wat traag. Ik vond bij Hetzner ‘Shared Storage’ in Duitsland, een gemanagede Nextcloudomgeving voor 5 euro per maand voor een Terabyte, inclusief de mogelijkheid om kalenders, contacten en foto’s automatisch bij te houden. Het mooiste: je kunt je TB’s delen (met je ouders, je familie, je vrienden). Open source, betaalbaar én niet gebonden aan ófwel Google, ófwel Microsoft, ófwel Apple.

  • Midnight Train to Georgia

    Speciaal voor mijn vrienden van Forgotten Hits Ltd. schreef ik een verhaal bij het lied Midnight Train to Georgia en las het voor tijdens het jaarlijkse spektakel annex drankgelag.

    Ik had geen mensenmassa’s verwacht, toen de trein vanuit New Orleans eindelijk stilstond. Ik weet niet zo goed wat ik wel verwacht had, maar zo’n grote groep als toen ik hier van huis ging – nee. Dat sowieso niet. Misschien had ik gehoopt dat mijn zussen er zouden staan. Of in elk geval ééntje.
    Dat ze het hadden begrepen, waarom ik weg was gegaan. Waarom ik weg was gebleven.

    Misschien had ik op een berichtje gehoopt. Van haar. Van die vrouw uit de laatste bar waar ik mijn laatste nacht door had gebracht. Glennis was het. Nee, Fanny. Candice. Weet ik het. Wat het ook was: misschien had ik wel gehoopt dat ze me achterna was gekomen. Dat ze één, twee treinen achter me zat.
    Maar goed, je weet wat ze zeggen: hoop is uiteindelijk niet heel veel meer dan uitgestelde teleurstelling.

    Het is kutweer. Het is al een uur of twee kutweer. Alsof de regen ergens sinds Atlanta met me mee waait. Achter me aan waait.
    Het is nacht. Bijna middernacht.
    En op internet zag ik een uur geleden dat die lul van een Donny Edmure een Karaokeavond had gepland in de Black Pig. Om te vieren dat hij raak geschoten had bij Mary Dinkhurst. Bij míjn Mary Dinkhurst. Een tweeling. Ook dat nog.
    Op facebook had hij trots opgeschreven dat hij goed zaad had. En dat goed zaad best gevierd mag worden. Mary had eronder gereageerd met een emoji van een aubergine en een paar blauwe spetters erbij. Henry Mill had er een emoji van het getal 100 onder gezet. En een armpje met een spierbal.
    34 likes. Het zaad van Donny Edmure krijgt 34 likes. En die lieve Mary maar wachten, thuis op de bank. Of nog erger: met een glas cola op een kruk met een rugleuning in de hoek van de bar.
    Ik had haar betere kinderen kunnen gegeven. Méér en beter.
    Een drieling. Minstens.
    Ik kijk op mijn horloge.
    Over tien minuten rijden we Gainesville binnen. In de verte zie ik de brandende lichten van de stad groter en groter worden – als je Gainesville met zijn dertigduizend inwoners een stad mag noemen. Maar vooruit, alles is veel voor wie niet veel verwacht.
    Al sinds Buford is mijn wijn op.
    Ik begin nuchter te worden. Geheel tegen mijn zin overigens.

    De laatste keer dat ik op het station in Gainesville was, stonden er bijna honderd mensen op het vliegveld. Bijna honderd! Ik heb ze geteld, vanachter het raampje. Kun je nagaan. De mensen van de Dollar Market, de mensen van het Gainesville City Actors. Mijn ouders. Mijn zussen. De mensen van mijn bowlingteam. En zelfs Mary Dinkhurst. Ze had me een kaartje geschreven.
    ‘Go get ‘em, big bear,’ had erop gestaan.
    Ik had haar gekust en naar haar geknipoogd. Ik had in haar oor gefluisterd dat ze me achterna moest komen. Dat ik de stad zou verkennen, en een plek zou vinden voor ons samen.
    Ze had geknikt en geglimlacht. En ze had een kushand gegeven toen onze blikken kruisten op het moment dat de trein in beweging kwam.

    Een halfjaar later was ze met Donny fucking Edmure getrouwd. Ze had hem leren kennen via een app, appte ze me op een dag. Het was een beetje een boerenkinkel, zei ze, maar hij hield van haar. En zijn bandenhandel liep goed. Ze hadden geld. Ze hadden werk. Dat was ook al wat. En ik had al weken niks meer van me laten horen. Ze hoopte dat het me goed ging, daar in het verre LA. Ze keek ernaar uit om me op tv te zien.
    Tijdens de uitvaart van mijn vader deed ik auditie voor Game of Thrones. Een klein rolletje, maar wél met tekst. Mogelijke doorbraak, vertelde mijn manager. Hij had al veel in me geïnvesteerd, en dit was een mogelijke doorbraak.
    Show must go on, of ik dat gezegde kende. Potentieel miljoenenpubliek. En mijn vader was toch al dood, toch? Wat zou hem het kunnen verrekken.
    Mijn moeder overleed tijdens de pandemie, dus daar had al niet bij kunnen zijn, zelfs als ik ervoor was gekomen.
    Misschien was die uitvaart tegelijk met de opnamedagen van de Wurst Und Beer?! reclames.
    Wílde ik me tijdens de uitvaart van mijn moeder in een hotdogpak laten bekogelen met alcoholvrij bier? Nee, natuurlijk niet, maar ga dat mijn huurbaas maar eens vertellen. En mijn manager had hard moeten werken om me hier in deze gig te krijgen. Hoeveel mensen gingen me wel niet zien?
    Dit was een potentiële doorbraak.
    Aan hem had het niet gelegen.

    Ik had niks verwacht, niks gehoopt. Of, nouja, ik had gehoopt dat ik nog dronken zou zijn bij het uitstappen. Mislukt. En god weet dat ik mijn best had gedaan. De trein vanuit LA vertrok om tien uur. Toen we uit Tucson wegreden was ik nog steeds wakker. Bij El Paso ben ik maar gaan drinken – ter hoogte van San Antonio was ik dronken, maar slapen lukte nog steeds niet. Van mijn overstap op New Orleans kan ik me amper nog wat herinneren.
    Een appje van mijn manager, dat hij helaas niks meer voor me kan doen. Dat de markt misschien over een halfjaar weer aantrekt, maar dat hij keihard voor me gewerkt heeft. Maar zeker nu, met die schrijversstakingen. Het lukt gewoon niet. Ik heb mijn kop niet mee.
    Een goeie kop, appt hij er snel achteraan. Een goeie kop, maar hij zit niet mee.
    Mijn potentiële miljoenenpubliek bleef uit:
    Anderhalve minuut in beeld bij As the world turns.
    Een keer als naamloze cameraman in beeld geweest bij The Morning Show, maar nooit echt in de buurt bij Jennifer Aniston of Steve Carell.
    Vier zinnen in een pilot van een serie over het leven van Merle Haggard. Een bijrol in de pilot van de remake van Home Improvement. Een paar tekenfilms ingesproken voor te weinig geld.
    Een paar reclames ingesproken voor nog minder geld.
    De administratie van mijn manager gedaan.
    Een paar weekjes in een tijdschriftenkraam in de buurt van Sunset Boulevard. Brad Pitt die The Guardian bij me kocht en me een dollar extra geeft. Dichter bij de doorbraak ben ik niet gekomen.
    Eén keer, net voordat ik op de trein stapte: een nieuwe serie. Prime time, direct na Greys Anatomy. Een barman in een Steakhouse waar de hoofdpersonen soms komen. In de eerste drie afleveringen zat ik. Na de derde kreeg ik een telefoontje van de studio: het personage werkte niet. Het lag niet aan mij, mijn werk was gewoon goed. Maar het personage werkte niet.
    Ik zou wel wat anders vinden, dat geloofden ze echt.
    Na de derde week een appje van Mary. Ze had me gezien. Ze vond dat ik er slecht uit zag.

    Ik stap uit, op het allerlaatste moment. Achter me vertrekt de trein in de richting van Toccoa en verder. Ik blijf achter. Alleen het station en ik.
    Half twaalf in de avond. Ik heb meer dan drie dagen in de trein gezeten.

    Van de vrouw uit LA heb ik niets meer gehoord. Geen appje, geen mailtje. Niks. Grace, was het. Nee, misschien toch niet. Ik weet het niet meer. Het maakt niet uit. Blijkbaar ben ik niet echt iemand die door mensen achterna gereisd wordt.

    En hier, in Gainesville? Mijn zussen zijn blijkbaar nog te boos om me op te pikken. Van de City Actors heb ik nooit meer iets gehoord. Mary ligt thuis op de bank, te wachten tot Donny Edmure thuis komt van zijn Spermon Sermon Celebration.

    Misschien had ik in elk geval gehoopt dat die laatste vrouw in LA met me mee ingestapt was. Iemand die me vast had gepakt en had gezegd: ‘Ach, jochie. Wat maakt het uit.’
    Die me had gezegd dat ze toch wel van me hield. Die me had gezegd dat ze liever met mij in míjn wereld had geleefd, dan helemaal alleen in die van haar.
    Die mee was gereisd naar Gainesville.
    Dat we in Atlanta onze beste kleren hadden aangetrokken. Ons hadden opgemaakt en geparfumeerd.
    Dat we met alle glamour die we uit ons hadden kunnen persen de trein uit waren gestapt samen.
    En rokend, en drinkend de Inked Pig in waren gestapt. Dat Mary er had gezeten, en na een halfuur jaloers en strontchagrijnig naar huis was gegaan.
    Hoop is uiteindelijk niet veel meer dan uitgestelde teleurstelling.

    Dus ik pak de weekendtas met al mijn spullen erin. En ik zet de wijnflessen die ik vanaf New Orleans heb leeggedronken tegen de muur van het station.
    En dan draai ik me om. Ik hoor de muziek: de Inked Pig is hier drie minuten lopen vandaan, en Donny houdt van harde muziek. Als je de muziek niet hard zet, kun je hem net zo goed níet aanzetten.
    Harde muziek, harde alles.
    Fuck it.
    Het is half twaalf.
    Nog tijd genoeg om gewoon weer opnieuw dronken te worden in de Inked Pig. Waar ik ga slapen zie ik morgen wel. Waar ik ga werken zie ik volgende week wel.
    Hoe ik ga leven zien we- ach, weet ik het.
    Drie hoeraatjes, mensen.
    Leve het zaad van Donny Fucking Edmure. Hoera. Hoera. Hoera

  • Een saaie stad is een arme stad

    Beste vastgoedeigenaar. Mijn naam is Martijn Neggers. Ik ben schrijver en journalist. En ik ben Tilburger, net als jij. Omdat wij, jij en ik, allebei dezelfde liefde voor onze stad koesteren, weten wij allebei dat er niet één, maar eigenlijk twee Tilburgs zijn.
    Wij weten allebei dat we om te beginnen het schurende, vervreemdende en wonderlijke Tilburg hebben, waar vanuit haar ietwat onwelriekende dampen kunstenaars als Gummbah, AHJ Dautzenberg, Frederike Luijten, en Lonne Gosling naar boven borrelen.
    Maar dat er naast dát Tilburg ook nog een ander Tilburg is: Tilburg, de allernormaalste stad van het land. Zó alledaags, dat eindeloos veel merken als Leen Bakker, Trekpleister of Holland & Barret, nieuwe producten áltijd eerst op haar uittesten, onder het mom van: lukt het in Tilburg, dan zal het in de rest van het land ook wel loslopen.

    Die twee Tilburgs kunnen niet zonder elkaar. De vreemde stad van Ferry van de Zande en Eefje Wentelteefje, en de normale stad van Hema en So Low – die hebben elkaar nodig. Normaal en absurd bestaan allebei bij gratie van de ander. De kunstenaars in deze stad, die gevormd zijn door en naar haar straten, cafés, volksaard en oogopslag, hebben haar totale alledaagsheid nodig om uit te putten.
    Filmmaker Leonard Bedeaux heeft de bezoekers van de Foot Locker nodig om het werk te maken dat hij maakt. Tilburgs kunstenaars hebben een functionerende stad nodig om te maken wat ze maken. En stad met winkelketens, broodjes- en horlogeverkopers en plekken waar je lollige papieren ophangbordjes kunt kopen, of peper- en zoutstelletjes in de vorm van een kont, of twee borsten.
    Omdat kunst, ook de vreemdste, abstractste en onbegrijpelijkste kunst, put uit het echte – het normale leven.

    Maar ómgekeerd is het ook zo. Oók de naar beige neigende lichtgrijze binnenstad van Tilburg heeft haar obscure, absurde evenknie nodig. Zonder die andere kant is Tilburg weinig meer dan een stad waarnaar de rest van het land kan wijzen als ze een voorbeeld nodig hebben van de saaiste stad op aarde.
    Zonder die andere kant wordt Tilburg een Veghel.
    Een Purmerend.
    Een Zoetermeer.
    Niemand wil geld uitgeven in de saaiste stad ter wereld. Een saaie stad is een arme stad. Een saaie stad zal leeg komen te staan. Zij zal zo stil worden, dat het winkelend publiek uiteindelijk zelfs liever naar Breda rijdt.
    Wij, jij en ik, wij willen geen arme stad, dat weet ik zeker. Maar als ik door de binnenstad – tussen jouw leegstaande panden door – loop, maak ik me toch wat zorgen. Over mijn grijs en leeg geworden stad, die uiteindelijk zo leeg zal lopen dat zij geen euro meer op zal leveren.

    We moeten samen de stad terug in balans brengen: maak een stad interessant en zij zal leven. Blaas haar tot leven, en ze zal renderen.
    Leen de leegte uit aan degenen die daar het best mee om kunnen gaan: kunstenaars.
    Elk pand als tabula rasa in de stad; als tijdelijke plek voor verwondering, verwarring, begeestering, en reuring. Mensen die voor kunst komen, zullen gaan winkelen en omgekeerd. Zoals eerder al: tijdens Kaapstad. In de dagen van De Blauwe Dwaas. In de ramen van het kantongerecht en het stadskantoor.
    En laten we wel wezen: van reuring is nog nooit iemand slechter geworden. En jij ook niet – want een levende stad wordt meer waard. En met haar de gebouwen waaruit zij bestaat.
    Ik wil een eeneiïge stad die zichzelf als yin en yang in balans houdt en waar gouden bergen en ambities tot aan de hemel reiken. Met hulp van mensen als jij, en met hulp van mensen als ik.
    Tijd om aan de slag te gaan, voordat we op een dag wakker worden en Veghel geworden zijn. Laten we samen de leegte vullen met kunst. Tot er geen centimeter leegte meer over is.

    Ateliers Tilburg, Martijn Neggers,
    *TILBURG

  • Het scharnier van de avond

    Aan de bar hangt een groepje mensen: de middagploeg. Zij die om een uur of drie vanmiddag begonnen zijn met drinken, om vervolgens om half zes te besluiten om nog één rondje te wachten met naar huis gaan om te koken (en om kwart voor zes, zes uur, kwart over zes, kwart voor zeven, vijf over zeven en vijf voor half acht ook) en nu nog op hun laatste benen aan en over elkaar heen hangen.
    Het is Het uur van het scharnier in het café: het uur waarin de middagploeg en de avondploeg elkaar overlapt. De avondploeg, die vooralsnog bestaat uit twee studenten van een jaar of twintig die aan hun eerste biertje van de dag zitten, een bejaarde man die met een nog feilloze oog-handcoördinatie een oude jenever van de bar afpakt en aan zijn lippen zet. En ik dus.
    Ik ga naast de oude man aan de bar zitten, op twee krukken afstand van de studenten, die als een veilige buffer tussen mij en de middagploeg in zitten.
    Een grote zwetende man staat op van zijn barkruk, en begint te wijzen naar wat net nog een kameraad van hem leek te zijn.
    ‘Val godverdomme kapot!’ roept hij, terwijl hij met zijn vrije hand zijn plakkende haren uit zijn gezicht veegt. Zijn kameraad reageert amper, maar hij is nog niet klaar: ‘Ik steek je huis in de fik en stuur de honden op je af!’
    De middagploeg lijkt niet onder de indruk. De man gaat maar weer zitten, buigt zich mopperend over zijn bier.
    Even kijk ik naar de bejaarde man naast me. Hij kijkt terug en knikt een keer. In een poging een gesprek aan te knopen, stel ik mezelf maar gewoon voor. Het komt er een beetje plompverloren uit.
    Martijn.
    ‘Meneer Van Schie.’
    Meneer Van Schie lijkt geen aanstalten te maken om het gesprek aan de gang te houden. Ik probeer het nog eens.
    Lange dag gehad?
    ‘Alle dagen zijn lang, jochie.’
    Dan draaien we ons maar weer om naar onze drankjes. Ik twijfel of meneer Van Schie nog iets wil zeggen, maar als ik eens vragend zijn kant uit hum, reageert hij niet.
    Op de hoek van de bar ligt een krant met een halfafgemaakte crypto-puzzel naar boven. De studenten gaan biljarten. Zwijgend kijkt meneer Van Schie toe hoe de twee jongens er niks van kunnen.
    Aan de andere kant van de bar wordt ineens gejuicht. Twee vrouwen en mannen zetten een lied in.
    ‘Just follow the staaaaaairway’ zingen ze. ‘To this lonely heart of mine!’
    De man die een paar minuten geleden nog het huis van de andere man in brand wilde steken, zwiept nu zijn beide armen omhoog. Met ogen dicht schreeuwzingt hij over iedereen heen.
    ‘You’ll! Find! Me! Waiting!’
    Hij boert een keer.
    ‘In! Apartment! Number nine!’
    Even kijken de studenten op. Eentje grijnst. Misschien zoekt hij morgenvroeg eens op welk lied de middagploeg zong, voordat ze allemaal nog één rondje langer niet gingen koken.